Dragen - Geschiedenis

In de prehistorie, toen we als mensen nog geen afsluitbare stenen woningen hadden maar tussen de wilde dieren leefden, was je baby dragen nog noodzaak. Alle reflexen van een pasgeborene zijn er ook (nog steeds) op gericht om alarm te slaan als ze geen contact meer voelen met de ouders. Wanneer je in het verre verleden je baby ergens weglegde had je grote kans dat het werd opgegeten; dus dat deed je niet.

Op een gegeven moment ontwikkelden we ons van nomaden naar groepen met vastere onderkomens. Men ging zich vestigen. Mannen en vrouwen moesten hard werken op het land, kinderopvang bestond nog niet, opa`s en oma`s werkten ook en er bestond nog geen kunstvoeding. Dus moeder moest kort na de bevalling weer aan het werk en kind moest mee.

In veel westerse landen ontwikkelde in de middeleeuwen het idee dat hoe meer status je had, hoe verder weg je kinderen moesten zijn. Borstvoeden deed je niet meer zelf, dat deed de min. Een kindermeisje zorgde dat de kinderen op tijd te drinken kregen en dat ze gingen slapen in hun eigen bedjes in hun eigen kamer.

In 1733 werd de voorloper van de hedendaagse wandelwagen uitgevonden. In 1840 won de wagen enorme populariteit doordat Queen Victoria er ineens 3 bestelde. Vanaf die tijd werd het steeds normaler om je kind voort te duwen in een wagen in plaats van het te dragen.

In de jaren 70 raakte het vooral in Duitsland weer in de mode om baby`s te dragen. Didymos begon met het maken van draagdoeken, meerdere firmas volgden. Omdat veel kennis van hoe en wat verloren is gegaan werd in 1995 de eerste draagdoekconsulenten opleiding opgericht. Gelukkig groeit het aantal consulenten en mensen die dragen nog steeds gestaag.

In veel niet westerse culturen (in Afrika, Indonesië, delen van China, bij de Inuït) is het dragen nu nog steeds volledig geïntegreerd in het dagelijks leven en wordt de daar gebruikte draagtechniek overgedragen van moeder op dochter.

Informatie van Instituut voor Hechting